Casus Omgaan met vrijwilligers

Piet (fictief personage) werkt sinds twee jaar in een kleine dorpsgemeente (PKN) in het midden van het land. Het is zijn eerste baan en bij aanvang ging hij vol enthousiasme aan de slag met een part-time aanstelling. De gemeente bestaat voor een groot deel uit dertigers en veertigers, met veel jonge gezinnen en tieners. De meeste gemeenteleden zijn hoog opgeleid en er zijn voornamelijk tweeverdieners in deze kerk te vinden. Het meeste werk in de gemeente wordt door vrijwilligers gedaan. Piet merkt dat sommige vrijwilligers wel veel passie en enthousiasme voor het werk hebben, maar eigenlijk ongeschikt zijn. Hoe kan hij hier nu mee omgaan?

Verder geniet hij er wel van om samen te werken met de vrijwilligers, maar hij loopt vaak aan tegen mensen die hun afspraken niet nakomen. Dat vindt hij moeilijk. Vrijwilligerswerk is toch niet vrijblijvend? Deze houding merkt hij in alles. Iedereen is vol overtuiging lid van de kerk en wil graag Jezus volgen maar de wekelijkse activiteiten worden niet altijd goed bezocht. Piet begint zich er stevig aan te ergeren. Er komt veel op zijn schouders te liggen en hij merkt steeds meer dat de aanwezigen bij vergaderingen vooral naar hem kijken als het op de uitvoering aankomt. Maar ook Piet heeft maar twee handen, één hoofd en vooral: maar twintig uur per week om aan de kerk te besteden…

Deels ligt het ook aan de structuur van de gemeente. Laatst zat Piet bij een commissievergadering. Toen bleken de commissieleden niet duidelijk te hebben wat hun bevoegdheden en taken waren. Hij wil graag dat de vrijwilligers die zich inzetten, hun toch al beperkte tijd, zo goed mogelijk gebruiken.

Ik zat in de evangelisatiecommissie en het beleidsplan moest vernieuwd worden. Dit duurde maanden en maanden, want iedereen dacht: “Dit is een beleidsplan dat lang geleden is geschreven. Daarvoor is een bekende theoloog op bezoek geweest. Maar wat mag er nou uit?” Er was dan niemand die dan dacht van: “Ik mag dat gewoon doen, dus dat kan er wel uit en we gaan het opnieuw schrijven.” Dus iedereen bleef altijd een beetje zoeken van: wat is mijn taak. Wat moet ik doen.

Deze situatie kost Piet moeite. In zijn dagboek is zijn frustratie soms merkbaar, maar we zien ook dat Piet sterk reflecteert en zich afvraagt of hij de situatie niet ook een beetje in de hand werkt:

Wat doe ik met vrijwilligers die het er een beetje bij laten zitten? Ik wil niet op hun stoel gaan zitten, dan doe ik hen tekort en werk ik niet aan het versterken van de gemeente. (…) Trek ik teveel werk naar me toe, leunen anderen teveel op mij?

Lees hier hoe Piet met deze situatie om kan gaan.

Lees hier wat Piet beter niet kan doen.