Helpend Omgaan met Predikant

Op deze pagina schetsen we mogelijke handelingswijzen uit ons onderzoek die helpend kunnen zijn. Wat zijn goede strategieën om in te zetten in deze situatie?

Allereerst is het voor Herman nodig dat hij zijn eigen beroepsidentiteit helder heeft: wat is zijn waarde als pastoraal werker, naast een predikant? Hij moet zich bewust worden van zijn rol als hbo-theoloog maar ook van zijn rol als collega. Dit merkten we ook in zijn dagboek, waar hij schrijft:

Mijn standpunt in deze is dat ik onderstreep dat de dominee ook de dominee is en blijft. Ik wil niet op zijn plaats gaan zitten. Wat ik wel wil is als collega behandeld worden. Ik heb mijn eigen professionaliteit en zo wil ik ook door hem gezien en behandeld worden. Nu het mijn taak is gemeenteopbouw vorm te geven wil ik daar ook in gestimuleerd worden en niet worden tegengehouden.

Herman moet dus actief zijn eigen positie binnen de gemeente vormgeven. Soms is daarbij een assertieve opstelling nodig. Tegelijkertijd moet Herman ook leren samenwerken met de predikant. Ook hierin kan hij pro-actief zijn. Een voorwaarde voor goede samenwerking is dat je elkaar kent en weet wat je aan elkaar hebt (zowel qua persoon als qua collega). Hiervoor is regelmatig overleg nodig. Het gezegde ‘Vertrouwen komt te voet en gaat per paard’ is van toepassing: het kost tijd om een relatie op te bouwen. Het is dus goed als Herman zorgt voor een vaste overlegfrequentie: bijvoorbeeld eens per twee of per vier weken. Zo wordt overleg ook genormaliseerd: je spreekt elkaar niet alleen als er problemen zijn. Behalve een regelmatig werkoverleg kan Herman ook een of twee keer per jaar een grondiger evaluatiemoment voorstellen waarbij het grote plaatje wordt besproken.

Er is een persoonlijke en een zakelijke kant aan de relatie. Waarschijnlijk is de zakelijke kant van de relatie in Hermans geval achterwege gebleven. Het kan daarom verstandig zijn om al in het begin van de samenwerking dit open te bespreken. Wat verwacht je van elkaar, waar vul je elkaar aan? Dit gaat niet alleen over taken en bevoegdheden maar ook over persoonlijke kenmerken. Het kan voor Herman en zijn collega bijvoorbeeld handig zijn om allebei een DISC-test of Belkin-test te doen en deze met elkaar te bespreken. Als Herman en de predikant van elkaar weten wat ze aan elkaar hebben, kunnen ze beter samenwerken.

Voor Herman is het ook belangrijk dat de gemeente en de kerkenraad ook helder hebben wat het onderscheidende vermogen is van een pastoraal werker. Hij moet bovendien leren omgaan met het verschil in gezag tussen hemzelf en de predikant. Het zou hem helpen te beseffen dat het hier gaat om veranderingsprocessen. Dat is een onderdeel van de agogische competentie. Vaak ben je als is de kerkelijk werker degene die later is aangesteld en mogelijk heb je ook minder natuurlijk gezag. Je moet dus je positie en gezag ook gaan verdienen. Herman doet er goed aan om ook regelmatig met de kerkenraad te overleggen en zijn gezag daar ook langzaam op te bouwen door hen te laten ervaren dat hij een professional is. Dit is helemaal van belang als je van mening verschilt met een collega-predikant. Zo schrijft Herman in zijn dagboek:

Er ontstond een discussie of ik alleen aangenomen ben voor individueel pastoraat of dat ik ook het ouderenwerk centraal kan oppakken, want ik vond groepspastoraat ook erg belangrijk. Het is voor mij ook een moment van zichtbaar zijn. De predikant gaf aan dat hij het hier niet mee eens was en een brief naar het moderamen ging sturen. Ik gaf aan dat ik met mijn werkteam ging overleggen (de voorzitter en scriba).

Enkele dagen later meldt het dagboek:

Vandaag had ik het gesprek met de scriba en voorzitster. Ik heb het vooral bij mezelf gehouden en dat ik er onzeker van wordt als hij dit zo aankaart. … Gelukkig luisterden zij gewoon en gaven zij aan dat zij snapten dat het lastig is. En dat ik daar zelf ook helder over moet zijn. Ik voelde mij gehoord en dat deed mij goed, maar toch vond ik het wel lastig dat er nu zo’n negativiteit in gang is gezet. Ik gaf mijn visie op het groepspastoraat. Zij deelden mijn visie en daarom kan ik dus gewoon door gaan zoals ik nu doe.

Als laatste is het voor Herman belangrijk dat hij zelfvertrouwen opbouwt en zijn beroepsidentiteit verder ontwikkelt. Het is belangrijk dat hij na afronding van de opleiding blijft leren. Dat zit gedeeltelijk in begeleiding en intervisie vanuit zijn eigen kerkverband, maar hij kan ook gericht werken aan de ontwikkeling van kennis en competenties op deelterreinen. Voorbeelden zijn te vinden in het nascholingsaanbod van opleidingen en kerken, zoals:

  • Preekvaardigheden
  • Omgaan met dementie
  • Contextuele hulpverlening

Lees hier wat minder goed werkt in deze situatie.