Casus Omgaan met predikant

Herman (fictief personage) werkt sinds drie jaar als pastoraal werker in een kleine dorpsgemeente (PKN) in het midden van het land. Zijn eerste aanstelling elders in het land was tijdelijk en nu is hij blij om een vaste baan te hebben voor 0,6 fte. Voor de gemeente was het wennen om in plaats van twee predikanten nu een predikant en een pastoraal werker te hebben. Het samenwerken met zijn iets oudere collega, een universitair opgeleide predikant, wordt in de loop van de tijd stroever.

“De wrijving begon toen ik werd gevraagd om een begrafenis te gaan leiden. De predikant zag dit echt als zijn taak. Het werd uitgepraat, maar het leidde er wel toe dat ik geen namen voor ziekenhuisbezoek meer kreeg. Dit ging mijn collega zelf doen. Verder houdt mijn collega het af dat ik voorga in gewone diensten: daar ben ik niet voor opgeleid. Ook als het gaat om gemeenteopbouw (het kringwerk) lopen onze visies uiteen.“

In de loop van de tijd merkt Herman dat het niet vanzelfsprekend is dat hij dezelfde visie heeft op het gemeentewerk als zijn collega. Hij vindt het moeilijk om zijn gedachten en visies in te brengen op een manier dat het ook bij de ander overkomt. De predikant heeft een sterke mening en vindt het lastig om een weg te gaan die niet helemaal de zijne is. Herman voelt zich vaak een ‘groentje’ en weet niet altijd hoe hij zich tegenover zijn collega moet opstellen.

“Binnen onze gemeente heeft hij meer gezag, puur vanwege zijn predikantschap. Ik heb er meer belang bij om hem dicht bij mij te houden dan andersom. Hoe kan ik ervoor zorgen dat hij mij ziet als een waardevolle gesprekspartner?”

Soms komt ook de eigen onzekerheid bovendrijven. Herman heeft het gevoel dat zijn studie korter is geweest en mogelijk daardoor minder grondig. En hij heeft wel gedachten over allerlei zaken, maar het is voor hem de vraag hoe je dat formuleert als het er op aankomt. Hij merkt dat vooral in een regio-overleg met andere predikanten, waarbij hij het moeilijk vindt om zijn plek in te nemen tegenover zijn collega. Hij heeft het gevoel dat hem de mond gesnoerd wordt en dat hij maar voor spek en bonen bij het overleg heeft gezeten.

“Dan bekruipt mij het gevoel dat ik het papiertje van kerkelijk werker te makkelijk verkregen heb en ik feitelijk niet voldoende competent ben. Nemen mensen mij wel bij voorbaat serieus? … Juist deze werkgemeenschap [van predikanten in de regio] leek me bij uitstek de plaats om ongedwongen van gedachten te kunnen wisselen. Ik weet niet of het te maken heeft met mijn positie als hbo-er te midden van predikanten. … Achteraf zie ik dat ik vooral dichtklapte omdat ik niet wilde ingaan tegen iemand met wie ik samenwerk.”